Graphic Novel: Parade, een eigen tijdschrift voor de Buchmesse

Parade, een eigen tijdschrift voor de Buchmesse Tijdens de Frankfurter Buchmesse verschijnt Parade, een gelegenheidstijdschrift dat op de beurs zelf gemaakt zal worden door een uitgelezen gezelschap Vlaamse en Nederlandse stripmakers. De Nederlandse tekenaar en illustrator Joost Swarte (of The New Yorker-fame), stilaan een éminence grise van de Nederlandse strip, en de Vlaming Randall Casaer leiden de redactie in goede banen. Dat de keuze op hen viel is geen toeval.

© Stephan Vanfleteren
}
Frankfurter Buchmesse
Gastland 2016
EN NL DE

Graphic Novel: Parade, een eigen tijdschrift voor de Buchmesse

Parade, een eigen tijdschrift voor de Buchmesse

door Toon Horsten

1. Joost Swarte en Randall Casaer, hoofdredacteuren
Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 in volle hevigheid losbarstte en het kleine koninkrijk België het belangrijkste schouwtoneel van de vijandelijkheden werd, sloegen honderdduizenden Belgen op de vlucht. Een groot deel daarvan belandde in het neutrale Nederland, dat vier jaar lang buiten de oorlog zou blijven. Ook de Vlaamse grootouders van de Nederlandse tekenaar en illustrator Joost Swarte maakten per fiets de oversteek vanuit Antwerpen. Swartes grootvader vond snel werk als muzikant, en toen de oorlog vier jaar later voorbij was, besloten ze te blijven. Hun in Antwerpen geboren dochter, die later de moeder van Swarte zou worden, groeide in Nederland op.
Het contact met de familie in Vlaanderen bleef wel intens. Tijdens logeerpartijtjes in het zuiden leerde de jonge Joost Swarte de in Vlaanderen erg populaire strips van tekenaar Willy Vandersteen kennen (met voorop Suske  en Wiske), en las hij bundelingen van de weekbladen Kuifje en Robbedoes. Hij zag grote verschillen met wat er in Nederland gemaakt werd: “In Nederland kenden wij toen alleen de strips van Marten Toonder en Hans Kresse, maar dat waren min of meer geïllustreerde boeken: verhalende teksten met daarboven illustraties. Heel iets anders dan wanneer je het als een film leest, zoals bij de Belgische strips”, zegt hij.
Vooral het werk van Hergé maakte indruk op de jonge Swarte. “Ik denk dat ik een jaar of negen was toen mijn moeder met het album ‘De krab met de gulden scharen’ van Hergé terugkeerde van een bezoek aan haar familie in Vlaanderen. Ik kende de figuur Kuifje op dat moment al wel, maar had nog nooit een boek over hem gelezen. Het maakte een overweldigende indruk, het was zondermeer een donderslag. Vanaf dat moment zijn er meer boeken van Hergé in mijn leven gekomen, je ontdekt dat vriendjes nog andere boeken hebben. Tot je ze op een bepaald moment allemaal gelezen hebt. Later, toen ik industriële vormgeving ging studeren, verdween Hergé helemaal naar de achtergrond. Ik geraakte steeds meer geïnteresseerd in de undergroundpers uit die tijd, vooral in wat er uit Amerika kwam. Denk maar aan ZAP Comics bijvoorbeeld met Robert Crumb. Ik werd toen geen industriële vormgever, maar ging strips tekenen. Omdat ik vond dat dat me veel meer expressiemogelijkheden gaf. In die tijd maakte ik nog echte undergroundstrips, maar op de een of andere manier vond ik dat die strips nooit tot leven kwamen zoals de boeken van Kuifje dat deden. Natuurlijk kende ik ook het werk van Morris (Lucky Luke), Willy Vandersteen (Suske en Wiske) of Franquin (Guust Flater, Robbedoes en Kwabbernoot), maar het waren toch vooral de Kuifje-albums die tijdens de lectuur tot leven kwamen. Stilaan heb ik toen mijn eigen weg gezocht, en ben ik de grote vrijheid van de undergroundtekenaars gaan combineren met het vakmanschap van Hergé en de tekenaars van zijn generatie.”
Net die positie, tussen de klassieke strip en de underground, én met wortels in zowel de Vlaamse als Nederlandse cultuur van het beeldverhaal, geeft Swarte een unieke kijk op de Vlaams-Nederlandse striptraditie. Bovendien is hij altijd, tot op vandaag, op zeer gretige wijze blijven volgen wat er zich allemaal in de wereld van het beeldverhaal afspeelde. Hij is geen toeval dat hij van zeer nabije betrokken bij de oprichting van tijdschriften, festivals en uitgeverijen.
De Vlaamse tekenaar Randall Casaer is een generatie jonger dan Swarte. Ook hij neemt een scharnierfunctie in, al doet hij dat op een totaal andere manier dan Swarte. Casaer is een creatieve duizendpoot die in allerlei domeinen, kunstvormen en media actief is – de strip is er daar maar één van. Hij maakt theater, cabaret, poëzie, illustraties en tekeningen, cartoons, en zelfs muziek. Dat hij uiteindelijk toch zou terugkeren naar zijn jeugdliefde en de mooie striproman Slaapkoppen zou maken, had met verschillende factoren te maken. Onder meer dat hij voor zijn veertigste een groot project onder eigen naam wilde maken, maar ook dat hij plots weer inspiratie had. “Dat had te maken met een frisse wind die door stripland waaide”, vertelde hij in 2007 in een interview. “Auteurs als Joann Sfar, Chris Ware, Christophe Blain en Blutch bewezen dat strips ook volwassen thema's kunnen behandelen, de auteursstrip maakte opgang en bereikte een breder publiek dan de stripfreaks. Het herinnerde mij er allemaal aan dat ik ook ooit strips wou maken. Tegenwoordig kun je in een strip echt iets vertellen.” Sinds de publicatie van Slaapkoppen geldt hij als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de nieuwe Vlaamse strip. Al zei hij er in hetzelfde interview meteen bij dat hij weinig gemeenschappelijke kenmerken zag bij al die stripmakers. “Behalve dan een sterke persoonlijkheid.”
In Parade willen Swarte en Casaer mooi, verrassend, innovatief en spannend werk laten zien van Vlaamse en Nederlandse stripmakers.

2. Van het westelijk front veel nieuws: de strip in Vlaanderen en Nederland sinds 2000
Nederland en Vlaanderen hadden en hebben een stripcultuur met evenveel verschillen als gelijkenissen. Maar de evolutie die zich sinds 2000 heeft afgetekend, toont toch vooral gelijkenissen. Langlopende reeksen met vaste personages bestaan nog, maar krijgen het steeds moeilijker. De meeste van die reeksen werden indertijd bedacht voor kranten en tijdschriften, als gagstrip of als feuilleton, en de problemen van de geschreven pers zijn meteen ook de problemen van dat soort strips geworden. De albumpublicaties van die reeksen waren gedurende meer dan een halve eeuw een van de belangrijkste vormen van amusement voor de Vlaamse en Nederlandse jeugd, en haalden oplages tot meer dan 400.000 exemplaren per album. Vandaag functioneren die strips binnen een veel bredere entertainmentcontext, waarbij ook film, games, animatie, internet, sociale media etc. hun part opeisen.
Daarnaast is de voorbije vijftien jaar een artistieke stripcultuur tot bloei gekomen die zich in de eerste plaats tot een volwassen publiek richt, en zich niets gelegen laat liggen aan de beperkingen die eigen zijn aan publicatie in een krant of tijdschrift. Vaak gaat het daarbij om afgeronde verhalen, met een niet vooraf bepaalde omvang en uitgevoerd in de meest diverse technieken. Niet dat er voordien geen alternatievere strips voor een volwassen publiek zijn geweest. In Nederland verschenen in de jaren 70 twintig nummers van het blad Tanty Leny presenteert!, waarin onder meer Joost Swarte, Marc Smeets, Aart Clerckx, de Vlaming Ever Meulen en later ook Peter Pontiac publiceerden. In Vlaanderen verschenen in dezelfde periode een paar nummers van Spruit van het Antwerpse collectief Ercola. En mensen als Swarte, Ever Meulen en de tandem Kamagurka en Herr Seele publiceerden internationaal al jaren in onder meer Raw, het blad van Art Spiegelman en Françoise Mouly. En tekenaars als Marvano (De Eeuwige Oorlog, Grand Prix, De Joodse brigade), Paul Teng (De periscoop) en Griffo (Giacomo C., S.O.S. Geluk, Golden Dogs) maakten al stripromans voor grote Franstalige uitgevers als Dupuis, Dargaud of Casterman, toen dat soort boeken voor de Nederlandstalige markt nog niet werden gemaakt. (En dat doen ze nog steeds. Met in hun kielzog Jan Bosschaert, die al een strip tekende op scenario van Jean Dufaux en nu met topscenarist Zidrou samenwerkt, en Ken Broeders, die met Apostata een geschilderde stripreeks over de Romeinse tijd maakt.)
Maar dat zoveel tekenaars zich zo ver van de mainstream begaven was nieuw. Voor hen lijkt de strip als feuilleton dood en begraven. Het draait niet meer om tijdschriften en stripreeksen, het gaat hen om losse albums, om stripromans. Van de Vlaamse stripmakers maakten vooral Judith Vanistendael (Toen David zijn stem verloor, De maagd en de neger), Brecht Evens (Panter, Ergens waar je niet wil zijn), Ben Gijsemans (Hubert), Randall Casaer (Slaapkoppen) en de bijzonder inventieve Olivier Schrauwen (Arsène Schrauwen, My Boy, Mowgli) opgang. Enkele van hen werden zelfs genomineerd voor de Eisner Awards in de VS en voor de albumprijzen op het festival van Angoulême. Die eer viel ook Willy Linthout te beurt. Hij tekent al decennia de in Vlaanderen populaire en volkse Urbanus-strip (met de gelijknamige zanger en komiek in de hoofdrol), maar scoorde internationaal met Jaren van de olifant, een striproman waarin hij de zelfdoding van zijn enige zoon een plaats probeerde te geven.
Andere Vlaamse tekenaars die nationaal en internationaal aan de weg timmeren met zeer verschillende projecten zijn onder meer Stedho, Conz, Ephameron, Steve Michiels, Philip Paquet, Simon Spruyt, Wauter Mannaert, Jeroen Janssen, Joris Vermassen, Ephameron, Serge Baeken, Ivan Adriaensens, Michael Olbrechts, en de tekenende dichter Wide Vercnocke. Opvallend: vooralsnog zijn de vrouwen overtuigend in de minderheid, maar er is verandering op til. Aan de kunstschool Sint-Lukas in Brussel studeerden de voorbije jaren onder meer Charlotte Dumortier, Inne Haine, Shamisa Debroey, en Delpine Frantzen af, terwijl met Judith Vanistendael, Ephameron en Ilah als docenten de praktijklessen enkel door vrouwen gegeven worden.
In Nederland verzette Kraut van Peter Pontiac, een biografische striproman over het oorlogsverleden van de vader van de tekenaar, bakens. De getekende autobiografie werd er sindsdien onder meer beoefend door Jean-Marc Van Tol (Opkomst en ondergang van Fokke en Sukke), Gerrit de Jager (Door zonder familie), Michiel van de Pol (Terug naar Johan), Floor de Goede (Flo), Gerard Leever (Gleevers dagboek), Barbara Stok  en Maaike Hartjes. Guido Van Driel (Om mekaar in Dokkum), Peter Van Dongen (Rampokan), Floor de Goede (Dansen op de vulkaan), Mark Hendriks (Tibet) en Aimée de Jongh (De terugkeer van De wespendief) gelden als makers van interessante stripromans, terwijl Hanco Kolk met het bij momenten verbluffende Meccano en met De man van nu (met Kim Duchateau) liet zien wat hij in zijn mars heeft. Binnenskamers van Tim Enthoven is vormelijk het meest opmerkelijke boek van de voorbije jaren, omdat het in een striproman een brug probeert te slaan tussen een autistische belevingswereld en design en vormgeving.
In vergelijking met Vlaanderen is het opvallend dat Nederlandse stripmakers veel vaker de band met literatuur en beeldende kunsten willen aanhalen. Dick Matena verstripte de voorbije vijftien jaar literaire klassiekers van onder meer Jan Wolkers, Willem Elsschot en Gerard Reve (met behoud van de integrale tekst!), Milan Hulsing maakte een bewerking van De Aanslag van Harry Mulisch en Nanne Meulendijks nam De wake van Ronald Giphart onder handen. Erik Kriek maakte mooie verstrippingen van horrorverhalen van H.P. Lovecraft, vooraleer hij zich ging toeleggen op oude murder ballads uit het zuiden van de VS. Illustrator Typex tekende een biografie van Rembrandt bij elkaar en werkt nu aan een Andy Warhol-boek, Barbara Stok hield het bij Vincent Van Gogh, Marcel Ruijters gaf Hiëronimusch Bosch een getekend leven. Maar ook in Vlaanderen lijken dergelijke projecten de laatste tijd toch ook op te rukken. Luc Cromheecke, die al jarenlang voor Spirou tekent, publiceert in oktober een strip over landschapsschilder Daubigny. Meteen na de verschijning wijdt het Van Gogh Museum een expo aan de strip in de Mesdag Collectie in Den Haag (dat onder het beheer van het Van Gogh Museum valt). Simon Spruyt bereidt dan weer een strip over Rubens voor, naar een scenario van schrijster en Bruegel-biografe Leen Huet.
Ondertussen lijkt ook de traditionele Vlaamse en Nederlandse strip zich te vernieuwen. Nix met zijn Kinky & Cosy, Pieter de Poortere met zijn Boerke, Mark Retera met Dirkjan: ze maken strips voor kranten en tijdschriften. Hun strips zien eruit al traditionele kinderstrips, maar dateren duidelijk uit het post Simpsons-tijdperk. Ook opvallend: zowel Nix als Pieter de Poortere werken aan animatieversies van hun strips. De traditionele strip breekt steeds vaker buiten het eigen medium. Peter De Wit en Hanco Kolk maken de dagelijkse gagstrip S1ngle voor een hele reeks Nederlandse en Vlaamse kranten, maar zagen ook al een sitcom gemaakt worden op basis van hun verhaallijnen en personages. Ook de uitgevers van traditionele strips voor jonge lezers denken breder dan het eigen medium (al blijken film- en animatieversies vaak toch te duur), en produceren spin-offs van de reeksen rond hun bekendste personages: Amoras presenteerde een volwassen versie van Suske en Wiske, J-Rom gaf een make-over aan Jerom. En er is nog meer op komst.
Herr Seele en Kamagurka, die in Vlaanderen en Nederland al decennia voor mainstreambladen en –kranten werken, krijgen met hun absurdistische strips nog steeds veel aandacht van internationale undergrounduitgevers. Ook in hun eigen taalgebied maken ze ondertussen school, zoals te zien in het werk van mensen als Steve Michiels, Jeroen de Leijer of Brecht Vandenbroucke.
En ook al is het op de kleine Nederlandstalige markt niet vanzelfsprekend om met het maken van strips je brood te verdienen, nog steeds kiezen erg veel jongeren voor het vak. Wie vroeger de stiel wilde leren, moest in de tekenstudio van een oude rot in het vak gaan werken, om daar te leren hoe het moet, of hij of zij stond er alleen voor. Vandaag bieden kunstscholen in Brussel (B), Gent (B) en Zwolle (NL) aparte stripopleidingen aan (die ook internationaal veel studenten trekken), terwijl er ook in afdelingen als animatie, design en grafische vormgeving aandacht is voor het beeldverhaal. De artistieke visie en ontwikkeling van de makers geldt in die opleidingen als belangrijker dan de wetmatigheden van de stripmarkt.

3. Parade, een blad vol vuur en enthousiasme
Met een deel van al die mensen zullen Joost Swarte en Randall Casaer live op de Frankfurter Buchmesse het tijdschrift Parade maken, dat ter plaatse zal worden samengesteld, gedrukt en verspreid. Met een oplage van 500 exemplaren zijn het al op voorhand collector’s items. Eind mei werden al enkele nummers van het blad gemaakt tijdens het Comic-Salon van Erlangen. Met andere mensen, maar met hetzelfde vuur en enthousiasme. Daarmee maakt Parade een cirkel rond. Met de stripmakers van vandaag, hoe divers hun werk ook mag zijn, keren ze terug naar de plaats waar het allemaal begon: in de tijdschriften. Mis geen enkele aflevering!



Terugblik internationaler Comic-Salon Erlangen